Geef een reactie

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
CAPTCHA

Om uw reactie te plaatsen, dient u aan te geven dat u geen robot bent.

“Niet makkelijk om dwangstoornis te herkennen”

Menno Oosterhoff werkt als psychiater op de dwangpoli van Lentis in Groningen. Onlangs sprak hij op een VBTGG-congres over het behandelen van patiënten met een dwangstoornis.

“De dwangstoornis heet ook obsessief-compulsieve disorder. Je hebt een obsessie als je iets niet van je af kunt ze­tten, ook al is het iets kleins. Bijvoorbeeld iemand met smetvrees ervaart een klein beetje vuil als onoverkomelijk. Om van deze obsessie te herstellen, verricht de persoon een dwangmatige handeling (een compulsie), bijvoorbeeld zichzelf wassen of een overzichtslijstje maken. Deze handeling helpt maar even, omdat je al snel weer iets ervaart dat vies en daarmee imperfect is. We noemen iets een stoornis als iemand er meer dan een uur per dag mee bezig is en het een verstoring geeft van het welbevinden en het functioneren. Maar vaak is men er veel langer dan een uur per dag mee bezig. Ik schat in dat zo’n vijf tot tien procent van de bevolking een aandoening heeft in het dwangspectrum, waarbij zo’n een tot twee procent last hee‑ van een dwangstoornis.

Ik weet uit eigen ervaring wat het is om een dwangstoornis te hebben. Vanaf mijn zeventiende heb ik er zelf last van. Het begon met dwangmatig schrijven in mijn dagboek, dat een complete afspiegeling van mijzelf moest worden. Ik schreef alles op en als er achteraf iets toch anders was, dan moest ik dat er weer bijschrijven. Ik kon er absoluut niet tegen als ik was vergeten om iets op te schrijven. Dat breidde zich uit naar de dwang om een overzicht over de hele wereld te willen hebben. Ik maakte over van alles en nog wat eindeloos lijstjes. Bijvoorbeeld van alle steden met meer dan een miljoen inwoners, want die steden moest ik op z'n minst allemaal kennen. Ik was met dit soort dingen de hele dag bezig en ik kon er erg onrustig van worden als ik iets was vergeten. Dat ging zo maar door. Dat dwangmatige heb ik nu nog steeds, hoewel het beter gaat nu ik er medicijnen voor gebruik.

Ook tandartsen krijgen te maken met patiënten met dwang. Zo zijn er mensen die er voortdurend bang voor zijn dat ze uit hun mond ruiken, terwijl dat eigenlijk niet het geval is. Ook moet de tandarts alert zijn op patiënten met Body Dismorphic Disorder (BDD). Zij zijn overmatig bezig met hun uiterlijk en dus ook hun gebit, dat er altijd mooi en perfect uit moet zien. Is dat niet zo, dan geeft dat veel onrust. En een van mijn patiënten had last van obsessief tandenpoetsen. Hij poetste voor het slapen gaan vier uur zijn tanden, omdat deze anders niet schoon genoeg zouden zijn. Ook zijn er patiënten met smetvrees, die de tandartspraktijk vermijden omdat ze overmatig bang zijn voor besme­tting of overal vies van zijn.
Het is niet makkelijk om een dwangstoornis zomaar te herkennen. Mocht je als tandarts een vermoeden hebben dat iemand een dwangstoornis heeft , dan zou je dat kunnen benoemen in de trant van: ‘Ik merk dat je het lastig vindt om... Komt dit ergens door?’ Als een behandeling door de stoornis wordt beïnvloed, dan is het van belang om niets te forceren. Soms moet je de behandeling stoppen of naar een andere moment verschuiven. Eventueel kun je de patiënt naar de huisarts verwijzen. In ieder geval is het belangrijk om begripvol en aardig te zijn.”

NT-number: 
14
NT-year: 
2017