Al tien jaar geldt een numerus fixus van 243 plaatsen voor de studie tandheelkunde. Het aantal aanmeldingen is vier tot zes keer zo groot. Dat maakt forse selectie nodig, waarvoor elke universiteit een eigen systeem hanteert. Werkt dat goed? En is het eerlijk?

Tot dit jaar mochten universiteiten nieuwe studenten aannemen via een gecombineerd systeem: een deel via loting en een ander deel door decentrale selectie. Per 2017 is dat veranderd. Voor studies met een numerus fixus – zoals tandheelkunde – is alleen aannemen via selectie nog toegestaan. De winst van selecteren moet zijn dat universiteiten, door voor de meest geschikte kandidaten te kunnen kiezen de studie-uitval beperkt weten te houden. Voor de aankomende studenten zou selectie de kans moeten bieden hun kwaliteiten en motivatie voor het vak optimaal in beeld te brengen. Als een kandidaat praktijkervaring heeft, zoals via een snuffelstage, kan dat voor extra onderbouwing van de motivatie zorgen.

Bij ACTA hebben zich in 2017 circa 740 kandidaten via Studielink aangemeld. Van hen hebben er 594 daadwerkelijk aan de selectiedag deelgenomen. ACTA neemt er daarvan 144 aan – met het oog op uitval 16 méér dan de vastgestelde numerus fixus. De selectie vindt plaats aan de hand van een toetsdag en een persoonlijk dossier. Beide leveren een score op die wordt opgeteld. ACTA toetst de biomedische kennis, de sociale intelligentie plus communicatievaardigheden (in 2017 verviel deze toets) en taalvaardigheid plus cijfermatig en ruimtelijk inzicht. Een motorische toets maakt geen onderdeel meer uit van het programma. Volgens Martijn van Steenbergen, lid van de selectiecommissie, pikken de studenten die motorische vaardigheden in het eerste jaar wel op. In hun dossier moeten kandidaten onder meer laten zien over aantoonbare motivatie te beschikken. Twee heldere criteria daarvoor zijn volgens Van Steenbergen bedoeld om iedereen een gelijke kans te geven:
- deelname aan de dag proefstuderen bij ACTA en
- ten minste één dag te hebben meegelopen in een tandartspraktijk.

Wie langer of vaker heeft meegelopen, of bijvoorbeeld het profielwerkstuk aan een tandheelkundig onderwerp heeft gewijd, scoort extra punten. Ook inspanningen in de hulpverlening, organisatietalent en bijzondere prestaties kunnen helpen. Bovendien hanteert ACTA een 7½+-regeling: wie voor de verplichte vwo-vakken gemiddeld 7½ of hoger heeft gescoord (en aan de andere criteria voldoet) stijgt sterk op de lijst, dat wil zeggen: krijgt een laag rangnummer.

Geen voorkeursbehandeling
Van Steenbergen benadrukt dat voor iedereen dezelfde weging wordt gemaakt. Ook als je vader of moeder tandarts is: “De toetsen werken daarin sterk objectiverend. Natuurlijk kan het voor je motivatie helpen als je ouders in het vak zitten. Maar ik ken tandartsen en ook medewerkers bij ons wiens kind niet is aangenomen. Zuur, maar we moeten mensen afwijzen. Ieder jaar ontvangt het College van Bestuur bezwaarschriften; er zijn zelfs procedures bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs in Den Haag. Ik begrijp dat, omdat juist voor vakken als tandheelkunde en geneeskunde de motivatie heel sterk kan zijn. Maar we hebben nu eenmaal ook objectieve criteria nodig. De uitslagen op onze toetsen en een eenduidige beoordeling van het dossier zorgen voor een objectieve rangordening. Van een voorkeursbehandeling kan hoe dan ook geen sprake zijn.”

Man-vrouwverhouding
Bij de aanmelding is bij ACTA de man-vrouwverhouding 1:3. Na de selectie is – opmerkelijk – nog 1 op de vier tot vijf aangenomen studenten van het mannelijke geslacht. Volgens Van Steenbergen spelen cijfers hier niet de hoofdrol, maar scoren vrouwen vaak iets hoger op andere criteria in hun dossier: ze hebben hun zaakjes beter op orde. Of de procedure op dit punt ook duidelijk schift op de geschiktheid voor het beroep, is een open vraag. “Natuurlijk evalueren we onze selectieprocedure ieder jaar. Maar bij ons ligt het rendement al op 95 procent; de rol van de factor voorselectie is daarin niet erg duidelijk. Wel zakte voorheen 20 à 25 procent van de eerstejaars voor onze Nederlandse-taalbeheersingstoets. Dat percentage is via decentrale selectie teruggebracht tot zo’n 5 tot 10 procent.” In Groningen is jaarlijks plaats voor 48 eerstejaars. Ook hier is het aantal aanmeldingen vier tot zelfs vijf keer zo hoog. Circa 70 procent van de studenten tandheelkunde is vrouw. Volgens Luc van de Sluis, afdelingshoofd van het Centrum Tandheelkunde en Mondzorgkunde, lijkt de selectieprocedure enigszins in het voordeel van vrouwen te werken. “Als we in de beroepsgroep een zeker evenwicht willen behouden, zouden we nog eens goed naar die procedure moeten kijken. Tenzij we zeker weten dat dit een goede afspiegeling vormt voor de kwaliteiten die je als tandarts later nodig hebt.”

Bij de bepaling van die kwaliteiten speelt de taakherschikking die de overheid voor staat, zeker een rol. Groningen zet stevig in op het teamconcept: de tandarts moet een teamspeler zijn die de regiefunctie uitoefent en ook kan delegeren. Voor Van der Sluis is overigens niet duidelijk of de procedure daarop al mede selecteert. Ook in Groningen tellen inhoudelijke toetsen stevig mee. Er wordt van de kandidaat zo’n zestig uur aan voorbereiding op de selectiedag verwacht. Kandidaten met een 8 of hoger als gemiddeld overgangs- of eindcijfer voor de relevante vakken krijgen extra punten binnen de rangorde. Dat geldt ook bij aantoonbare uitmuntende prestaties op andere terreinen, zoals sport of cultuur. Van een voorkeursbehandeling bij de selectie is geen sprake: “Dat een van je ouders in het vak zit, is geen meetbare grootheid voor ons. We houden ons consequent aan de vastgestelde selectiecriteria. Ook buitenlanders – we hebben bijvoorbeeld een groep Saoedische studenten gehad – doorlopen dezelfde toelatingsprocedure. Inclusief een taaltoets, want de opleiding is volledig Nederlandstalig.”

Goede tandartsen
Hoe effectief de selectieprocedure voor het rendement van de opleiding is, is voor Van der Sluis zeer de vraag. Nog groter is de vraag of je daarmee al kunt selecteren op wat later goede tandartsen zullen zijn. “Daarvoor blijkt niet zo zeer je opleiding bepalend, maar vooral de plek waar je na je afstuderen terechtkomt. Daar leer je tempo opbouwen, wat voor soort tandarts je wilt zijn en of je bereid bent om kwalitatief-inhoudelijk te blijven investeren. De opleiding kan op dit punt slechts een bescheiden rol claimen. Zo bekeken zou ik zeggen: de oude lotingsprocedure was zo slecht nog niet.” In Nijmegen deden dit jaar 384 kandidaten mee aan de selectie: 67 van hen worden aangenomen. Die verhouding – circa 6:1 – is al jaren het beeld, bevestigt professor Nico Creugers, voorzitter van de selectiecommissie. Volgens Creugers selecteert de procedure niet zo zeer op het aantal afstuderenden: het rendement ligt al jaren op 85 tot 90 procent. “Wel blijken we erin te slagen enigszins te selecteren op de snelheid waarmee studenten met succes hun studie doorlopen. Dat verschil zagen we ook al in de groep die via decentrale selectie binnenkwam, naast de helft die toen nog via loting een plaats kreeg.” Motivatie is moeilijk objectiveerbaar te maken. Creugers wijst erop dat ook ouders een ‘ronkende brief’ kunnen schrijven: “En er zijn zelfs bureaus waar je kunt leren een perfecte motivatiebrief te schrijven.” In Nijmegen moeten kandidaten hun motivatie onder meer laten zien via een huiswerkopdracht vooraf. Die bestond dit jaar uit het inventariseren van de organisatie van de mondzorg in twee Europese landen, inclusief een vergelijking met de Nederlandse situatie. “Deze opdracht zorgt niet voor een sterke schifting”, licht Creugers toe. “We hebben slechts tien kandidaten echt een onvoldoende gegeven, waardoor ze afvielen. Maar wellicht schift de opdracht vooraf al: wie niet echt in tandheelkunde is geïnteresseerd, begint er waarschijnlijk niet eens aan.”

Psycho-motorische test
Waarin Nijmegen zich ook onderscheidt, is de waarde die wordt toegekend aan een psycho-motorische test. Alleen de beste 150 uit de eerst afgenomen cognitieve toets doen hieraan mee. Het gemiddelde op beide toetsen bepaalt vervolgens de rangorde. De test bestaat uit het omzetten van een geschreven opdracht in een ruimtelijk product. “Het gaat dus niet om het uitvoeren van een tandheelkundige handeling in engere zin”, vertelt Creugers, “en ook niet om het eenvoudig namaken van een getoond object. Inzicht in ruimtelijke verhoudingen vertalen naar een concrete ‘maaktaak’ voor je handen weerspiegelt aardig waar je als tandarts dagelijks mee bezig bent. Ter verdere nabootsing van de praktijk hebben we bovendien een stresstest ingebouwd. Op een bepaald moment – de kandidaat weet niet wanneer – moet binnen twee minuten een andere opdracht worden uitgevoerd, vóór je verder kunt. Die situatie herkent elke tandarts.” De verhouding vrouw-man corrigeert zich in Nijmegen enigszins: die is dit jaar ‘iets minder dan 3:1’. Het blijft volgens Creugers een gegeven dat, wanneer je in deze leeftijdsfase selecteert, meisjes hun zaken structureel beter op orde hebben en ook hogere cijfers halen. “In de loop van de studie corrigeert dat cijferbeeld. Nog steeds lijkt mij de meest gezonde situatie in de beroepsgroep dat de verhouding fifty-fifty zou zijn.”

Zeer zorgvuldig
Creugers typeert de Nijmeegse selectieprocedure als zeer zorgvuldig. Door vroegtijdige anonimisering en nummering van de kandidaten is bovendien elke vorm van voorkeursbehandeling volkomen uitgesloten. Wel blijft de validiteit van de procedure ieder jaar onderwerp van gesprek. “Zo bekijken we momenteel de waarde van assessment-filmpjes waar kandidaten interactief een rol moeten nemen in een gegeven situatie. Best mogelijk dat we dat op een gegeven moment als nog waardevoller selectie-instrument gaan inzetten.”

Tekst: Kees Adolfsen; Beeld: Infographic: Curve, Haarlem

 

Thema: 
NT-number: 
12
NT-year: 
2017

Geef een reactie

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
CAPTCHA

Om uw reactie te plaatsen, dient u aan te geven dat u geen robot bent.